Hero Banner

Welcome to M&G

Choose your Location, Investor Type and Cookie Preferences

Deze inhoud is niet beschikbaar voor uw geselecteerde doelgroep. U bent doorgestuurd naar de bijbehorende startpagina.

U bent doorgestuurd naar de bijbehorende startpagina.

Woordenlijst

AAA-RATING

De hoogst mogelijke rating die een obligatie kan krijgen van een kredietratingbureau. Obligaties met een rating van AAA worden geacht het laagste wanbetalingsrisico in te houden. Een wanbetaling houdt in dat een bedrijf of overheid niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk belegde bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.

AANDEEL

Een eigendomsbelang in een bedrijf, doorgaans in de vorm van een effect. Aandelen bieden de beleggers een deelname in de potentiële winst van het uitgevende bedrijf, maar gaan ook gepaard met het risico dat de hele belegging verloren gaat als het bedrijf failliet gaat.

AANDELEN

Een aandeel in de eigendom van een bedrijf (vennootschap). Het biedt de beleggers een deelname in de potentiële winst van het uitgevende bedrijf, maar gaat ook gepaard met het risico dat de hele belegging verloren gaat als het bedrijf failliet gaat. 

AANDELENKLASSE

Type van fondsaandelen in het bezit van beleggers in een fonds (aandelenklassen verschillen in hun kosten en/of door andere kenmerken zoals een valuta-afdekking). Ieder fonds van M&G heeft verschillende aandelenklassen, zoals A, R en I. Elke klasse heeft een andere kostenstructuur en een ander minimaal beleggingsbedrag. De details van de kosten en minimale beleggingen zijn te vinden in de Essentiële Beleggersinformatie.

AANDELENKLASSEAFDEKKING

Activiteiten die worden uitgevoerd met betrekking tot afgedekte aandelen om de impact op het rendement te verminderen van wisselkoerswijzigingen tussen de valutablootstelling van het fonds en de gekozen valuta van de belegger. 

ABSOLUUT RENDEMENT

De stijging of daling in de waarde van een actief gedurende een bepaalde termijn, uitgedrukt als een percentage.

ACTIEF BEHEER

Een beleggingsaanpak waarbij kapitaal wordt gespreid naargelang het oordeel van de belegger of de fondsbeheerder(s). Een actieve belegger streeft ernaar een hoger rendement te verwezenlijken dan dat van de aandelenmarkt of een bepaalde benchmarkindex/sector, in plaats van het gewoon te evenaren.

ACTIEVE BEHEERDER

Een fondsbeheerder die een actieve beheerstijl hanteert voor zijn beleggingen. Een actieve belegger streeft ernaar een hoger rendement te verwezenlijken dan dat van de aandelenmarkt of een bepaalde benchmarkindex/sector, in plaats van het gewoon te evenaren.

ACTIVA

Alles wat een commerciële of handelswaarde heeft en eigendom is van een bedrijf, instelling of persoon.

ACTIVAKLASSE

Categorie van activa, zoals contanten, bedrijfsaandelen, vastrentende effecten (obligaties) en de betrokken subcategorieën, naast materiële activa zoals onroerende goederen.

ACTIVASPREIDING

Spreiding van het vermogen van een portefeuille op basis van zijn risicotolerantie en beleggingsdoelstellingen.

AFDEKKING

Een methode om onnodig of onbedoeld risico te beperken.

ALFA

Het extra rendement van een fonds ten opzichte van het rendement van zijn benchmark. Het wordt vaak beschouwd als de extra waarde die een fondsbeheerder toevoegt aan of aftrekt van het rendement van een fonds. Staat ook bekend als relatief rendement.

ALTERNATIEF BELEGGINGSFONDS (AIF)

Een collectief beleggingsvehikel dat kapitaal aantrekt van meerdere beleggers met het doel dit te beleggen overeenkomstig een vastgesteld beleggingsbeleid, en dat niet onder de Europese UCITS-richtlijn valt.

AMERIKAANS SCHATKISTPAPIER

Vastrentende effecten uitgegeven door de Amerikaanse overheid.

ANKERINVESTEERDER (HOEKSTEEN-INVESTEERDER)

Een centrale partij die in de vroege fase van een private kapitaalwerving een aanzienlijke financiële toezegging doet.

ARTIFICIAL INTELLIGENCE (AI)

Het proces waarbij een computeralgoritme, dat getraind is om te denken en te leren zoals mensen, menselijke intelligentie simuleert en beslissingen neemt op basis van wat het leert.

ASSET BACKED SECURITIES (ABS) 

ABS is een vorm van gestructureerd krediet, bestaande uit financiële pools van activa – veelal consumentengerelateerd – zoals autoleningen, vorderingen op mobiele telefonie en creditcards, vliegtuigleasingcontracten en hypotheken. ABS zijn financieringsvehikels die zijn gedekt door contractuele toekomstige kasstromen uit deze activa. Ze bieden instellingen liquiditeit op illiquide activa.

BAISSEMARKT

Een markt (ook berenmarkt geheten) waarin de koersen van effecten dalen en een algemeen pessimisme vaak leidt tot een zichzelf versterkend negatief sentiment. Een effect of index zit doorgaans in een baissemarkt wanneer de waarde van piek tot dieptepunt met 20% daalt.

BEDRIJFSOBLIGATIES

Vastrentende effecten die worden uitgegeven door een bedrijf. Ze worden ook obligaties geheten, en ze kunnen hogere rentebetalingen bieden dan obligaties uitgegeven door een overheid, omdat ze als riskanter worden beschouwd. Beleggers verwijzen er ook naar als “krediet.”

BEGRENSDE BENCHMARK

De portefeuille moet de effecten in de benchmark en hun wegingen repliceren. De benchmark kan een index of een sector zijn. Afhankelijk van het mandaat van het fonds kan de beheerder de posities rechtstreeks repliceren of via derivaten, dit zijn instrumenten waarvan de waarde wordt afgeleid van die van onderliggende effecten of een groep van effecten.

BEGROTINGSBELEID

Het overheidsbeleid inzake belastingen, uitgaven en leningen.

BEHEERDER VAN ALTERNATIEVE BELEGGINGSINSTELLINGEN (AIFM)

Een onderneming die alternatieve beleggingsinstellingen (AIF’s) beheert.

BENCHMARK

Maatstaf, zoals een index of sector, waartegen het rendement van een portefeuille wordt afgewogen.

BETALINGSDATUM

De datum waarop het fonds de uitkeringen betaalt aan de beleggers, meestal de laatste werkdag van de maand.

BEURSINTRODUCTIE

De eerste verkoop van aandelen door een private vennootschap aan het publiek.

BEURSVERHANDELD FONDS (EXCHANGE-TRADED FUND, ETF)

Een type fonds dat op een aandelenbeurs wordt verhandeld zoals gewone aandelen. ETF's kunnen in de loop van de hele dag worden gekocht en verkocht, zoals gewone aandelen, terwijl de prijs van andere types fondsen slechts eenmaal per dag wordt bepaald.

BEURSVERHANDELD

Verwijst doorgaans naar effecten die worden verhandeld op een beurs, zoals bedrijfsaandelen op een aandelenbeurs.

BLIND POOL-RISICO

Het risico dat beleggers aangaan wanneer de portefeuillebedrijven of onderliggende activa van een fonds nog niet bekend zijn. Dit speelt bijvoorbeeld bij een first-time-fonds.

BLOOTSTELLING

Het deel van een fonds dat belegd is in een bepaald aandeel/vastrentend effect/index, sector/regio, doorgaans uitgedrukt als een percentage van het globale fonds.

BOTTOM-UP SELECTIE

De selectie van aandelen op basis van de aantrekkelijkheid van de fundamentele kenmerken van een bedrijf, zoals de winstgroei of de dividenden.

BRITSE KLEINHANDELSPRIJZEN (RPI)

Inflatie-index die de prijsveranderingen meet van een korf van goederen en diensten in het Verenigd Koninkrijk.

BULLMARKT

Een bullmarkt is een markt die wordt gekenmerkt door optimisme onder beleggers en het vertrouwen dat de sterke rendementen zullen aanhouden. In zo’n omgeving stijgen de koersen van effecten, zoals aandelen, doorgaans over een langere periode. De algemeen aanvaarde definitie van een bullmarkt is een stijging van 20% of meer van de effectenkoersen over een bepaalde periode.

BUNDS

Vastrentende effecten (obligaties) uitgegeven door de Duitse overheid.

BUY-AND-BUILD

Een overnamestrategie die doorgaans wordt gehanteerd door buyout-managers, ook wel General Partners (GP’s) genoemd. De overnames richten zich op gefragmenteerde maar complementaire markten waar bedrijven met vergelijkbare producent en/of diensten actief zijn. Via deze strategie worden ondernemingen overgenomen en geherstructureerd ter ondersteuning van hun toekomstige groei. “Buy-and-build”-strategieën worden ook wel aangeduid als “roll-up”-, “add-on”- of “bolt-on”-transacties.

BUYOUT-FONDSEN

Fondsen die uitsluitend meerderheidsbelangen verwerven in gevestigde ondernemingen met stabiele rendementen en kasstromen.

CAPITAL CALL

Een verzoek van de General Partner (GP) van een privaat marktfonds aan individuele Limited Partners (LP’s) om een deel van hun toegezegde kapitaal daadwerkelijk over te maken, ten behoeve van onderliggende investeringen. GP’s beschikken doorgaans niet over het volledige kapitaal aan het begin van de looptijd. Het benodigde kapitaal wordt in tranches opgevraagd via kapitaaloproepen. Meerdere kapitaaloproepen zijn nodig voordat LP’s volledig belegd zijn in een privaat fonds. Bij co-investeringsmogelijkheden kunnen LP’s echter kiezen om naast het hoofdfonds te investeren via een aparte rekening, waarbij kapitaalinzet vanaf het begin vereist is.

CARRIED INTEREST (‘THE CARRY’)

Een vergoeding die een fonds uitkeert ter compensatie van de prestaties van de beheerders (GP’s) van private equity-, venture capital- of hedgefondsen. Deze vergoeding wordt doorgaans uitbetaald wanneer een fonds zijn minimale doelrendement overschrijdt (gewoonlijk gemeten aan de hand van de IRR).

CHATBOT

Een interface die wordt aangedreven door AI, gebruikt om mensachtige gesprekken met gebruikers te simuleren, met name op gebieden zoals klantenservice.

CHARITY AUTHORISED INVESTMENT FUND (CAIF)

Een beleggingsfonds dat zowel een geregistreerde liefdadigheidsinstelling als een goedgekeurd beleggingsfonds is. Het CAIF moet zich houden aan de liefdadigheidswetgeving en de wet- en regelgeving op het gebied van financiële dienstverlening, en wordt voor belastingdoeleinden meestal behandeld als een geregistreerde liefdadigheidsinstelling.

CLUB DEALS/SYNDICAATSLENINGEN

Kapitaalverstrekking die door twee of meer investeerders gezamenlijk wordt aangeboden.

CO-INVESTERING

Een investering in een specifiek portefeuillebedrijf buiten het hoofdfonds om, maar gelijktijdig daarmee. “Co-investering” kan ook verwijzen naar de eigen investering van de GP in zijn fondsen (zie “alignment of interest”).

COLLATERALISED LOAN OBLIGATION (CLO) 

Een waardepapier dat is gedekt door een portefeuille van schuldinstrumenten, zoals bedrijfsleningen met een sub- of niet-investment-grade rating.

COLLECTIEVE BELEGGINGSINSTELLING (CIS)

Soms ook ‘gepoolde belegging’ genoemd. Dit is een regeling waarbij een fondsbeheerder het gepoolde geld belegt in een of meer soorten activa, zoals aandelen, obligaties of vastgoed.

COMPUTER VISION

Subgroep van AI die zich richt op computers die beelden en video's kunnen begrijpen en interpreteren.

CONSUMENTENPRIJSINDEX (CPI)

Een index die wordt gebruikt voor het meten van de inflatie, of van de snelheid waarmee de prijzen voor een mandje van door huishoudens gekochte goederen en diensten veranderen. De inhoud van het mandje wordt geacht representatief te zijn voor de producten en diensten waar consumenten normaliter geld aan uitgeven. Het mandje wordt geregeld bijgewerkt.

CONTINUATIEVEHIKEL

Een private equity-fonds dat is opgezet om de houdperiode van één of meer activa uit een bestaand fonds te verlengen wanneer dat fonds het einde van zijn levenscyclus nadert.

CONVERTEERBARE OBLIGATIES

Vastrentende effecten (obligaties) die kunnen worden ingeruild voor een vooraf bepaald aantal bedrijfsaandelen op bepaalde momenten tijdens hun looptijd.

CORRECTIE

Wanneer de prijs van een actief, effect of index met meer dan 10% daalt, meestal na een haussebeweging of een stijgende markt.

COUPON

De rente die wordt betaald door de overheid of de vennootschap die een lening heeft aangegaan door obligaties te verkopen. De coupon vormt doorgaans een vast bedrag, dat wordt berekend als een percentage van de totale lening en op geregelde tijdstippen wordt uitbetaald.

CREDIT DEFAULT SWAP (CDS)

Een contract met verzekeringkenmerken waarmee een belegger het wanbetalingsrisico van een obligatie kan overdragen aan een andere belegger. De koper van een CDS betaalt regelmatige premies aan de verkoper, die de koper moet vergoeden ingeval de onderliggende obligatie in gebreke blijft. Een CDS is een type derivaat – een financieel instrument waarvan de waarde en koers afhangen van de onderliggende activa.

CSSF

Commission de Surveillance du Secteur Financier (CSSF), de toezichthoudende autoriteit van de Luxemburgse financiële sector.

DATA MINING

Het proces van het analyseren van grote datasets om patronen en inzichten te ontdekken. 

DEELNEMINGSRECHT

Aandeel in een deelnemingsrechtentrust, een type van beheerd fonds waarvan de waarde rechtstreeks gekoppeld is aan de onderliggende beleggingen. De grootte van de trust neemt toe of af wanneer beleggers deelnemingsrechten kopen of verkopen.

DECISION TREES

Een type algoritme voor machine learning, dat de constructie van een boom gebruikt voor beslissingen en hun mogelijke gevolgen.

DEELNEMINGSRECHTENTRUST

Een type van beheerd fonds waarvan de waarde rechtstreeks gekoppeld is aan de waarde van de onderliggende beleggingen van het fonds, en dat gestructureerd is als een trust, in plaats van als een vennootschap.

DEEP LEARNING

Een vorm van machine learning waarbij neural networks met meerdere lagen worden gebruikt om te leren en voorspellingen te doen.

DEFINITIEVE CLOSING

Het laatste moment waarop nieuwe toezeggingen van beleggers worden geaccepteerd in closed-end fondsen.

DERIVATEN

Financiële instrumenten waarvan de waarde en koers afhangen van een of meer onderliggende activa. Derivaten kunnen worden gebruikt om blootstelling te verwerven aan, of als bescherming tegen, verwachte veranderingen in de waarde van de onderliggende beleggingen. Derivaten kunnen worden verhandeld op een gereglementeerde effectenbeurs of rechtstreeks tussen twee partijen (over-the-counter).

DEVIEZENTRANSACTIES

De omzetting van een valuta in een andere valuta. De deviezen- of valutamarkt verwijst ook naar de wereldwijde markt waar valuta's virtueel 24 uur per dag worden verhandeld. De Engels term ‘foreign exchange’ wordt vaak afgekort tot ‘forex’ en soms tot ‘FX’.

DIRECT LENEN (DIRECT LENDING)

Deze activaklasse valt onder private debt. Doorgaans betreft het leningen aan niet-beursgenoteerde middelgrote ondernemingen, verstrekt door niet-bancaire kredietverstrekkers.

DISTRIBUTIERENDEMENT

Het distributierendement is het meest recente rendement van het fonds, omgerekend op jaarbasis over een kalenderjaar van twaalf maanden. Voor een maandelijks uitkerende aandelenklasse geldt: distributierendement = (dividend × 12) / NIW op de ex-dividenddatum. Voor een driemaandelijks uitkerende aandelenklasse geldt: distributierendement = (dividend × 4) / NIW op de ex-dividenddatum.

DIVERSIFICATIE

De praktijk om te beleggen in uiteenlopende activa, waarvan het rendement naar verwachting onafhankelijk van elkaar zou moeten evolueren. Dit is een risicobeheertechniek waarbij, in een goed gediversifieerde portefeuille, een verlies op een bepaalde belegging zou moeten worden gecompenseerd door winsten in andere beleggingen, om zo de impact op de algemene portefeuille te verlagen.

DIVIDEND

Een deelname in de winst van een bedrijf, die op bepaalde momenten gedurende het jaar wordt uitbetaald aan de aandeelhouders.

DIVIDENDOPBRENGST

Jaarlijkse inkomsten die op een bepaalde datum door een bedrijf worden uitgekeerd, uitgedrukt als een percentage van zijn aandeelkoers.

DOELBENCHMARK

Een benchmark, zoals een index of sector, die een fondsbeheerder wil evenaren of overtreffen. De beheerder kan zelf kiezen welke effecten en strategie hij kiest om dat doel te bereiken.

DOOR ACTIVA GEDEKTE EFFECTEN

Obligaties (vastrentende effecten) die worden gedekt door activa die kasstromen genereren, zoals hypotheekleningen, creditcardvorderingen en autoleningen.

DRY POWDER

Met name relevant voor private equity en venture capital. “Dry powder” verwijst naar bij beleggers opgehaald kapitaal dat nog niet in investeringen is ingezet. Het betreft het niet-geïnvesteerde of niet-toegewezen kapitaal dat een fonds beschikbaar houdt voor geschikte investeringsmogelijkheden. 

DURATION

Een maatstaf voor de gevoeligheid van een vastrentend effect (obligatie) of een obligatiefonds voor veranderingen in de rentevoeten. Hoe langer de duration van een obligatie of obligatiefonds, hoe hoger de gevoeligheid voor veranderingen in de rentevoeten.

DURATIONRISICO

Het risico dat de prijs van een vastrentend effect (obligatie) of obligatiefonds sterk zal veranderen wanneer de rentevoeten veranderen. Hoe langer de duration van een obligatie of obligatiefonds, hoe hoger de gevoeligheid en dus ook hoe hoger het risico in geval van veranderingen in de rentevoeten. 

DURFKAPITAALFONDS (VC)

Een vorm van private equity waarbij kapitaal wordt verschaft aan startende ondernemingen in een vroege fase met sterk groeipotentieel. Venture-fondsen richten zich op bedrijven met sterke inkomsten die kapitaal nodig hebben om hun groei te versnellen. VC-ondersteuning omvat financiering, technologische expertise en managementervaring.

EARLY BIRD

Een term die door GP’s wordt gebruikt om nieuwe investeringsmogelijkheden aan bestaande cliënten voor te leggen.

EERSTE CLOSING

Het eerste moment waarop toezeggingen van beleggers worden geaccepteerd in een closed-end fonds.

EFFECT

Financiële term voor een papieren actief – doorgaans een aandeel in een bedrijf of een vastrentend effect, ook obligatie geheten.

EFFECTIEF RENDEMENT (OBLIGATIE)

Het effectief rendement is een schatting van het rendement op jaarbasis over de looptijd van de obligatie als deze tot de vervaldag wordt aangehouden, ervan uitgaand dat alle betalingen (rente en hoofdsom) volgens plan worden gedaan. Dit is het intern rendement van de obligatie, oftewel de rente die wordt gebruikt om alle kasstromen van de obligatie te verdisconteren, zodat hun huidige waarden bij elkaar de koers zijn waartegen de obligatie momenteel op de markt wordt verhandeld.

EFFECTISEREN/EFFECTISERING

De aanmaak en uitgifte van verhandelbare effecten, zoals obligaties, die worden gedekt door de inkomsten uit een illiquide actief of groep van activa. Door het bundelen van een verzameling van illiquide activa, zoals hypotheken, kunnen effecten die worden gedekt door de inkomstenbetalingen van de hypotheken worden verpakt en verkocht aan een bredere waaier van beleggers.

ELTIF

Een Europees langetermijnbeleggingsfonds (ELTIF) is een beleggingsvehikel, ingevoerd bij Europese Verordening (EU) 2015/760 in 2015, dat zich richt op langetermijninvesteringen in private activa. ELTIF’s zijn fondsen die toegankelijk zijn voor alle beleggers, inclusief ervaren particuliere beleggers, en worden ondersteund door een solide regelgevingskader.

EMITTENT

Een entiteit die effecten verkoopt zoals vastrentende effecten en bedrijfsaandelen.

EPISODE

Een periode waarin de emoties van de beleggers hun beslissingen sterker beïnvloeden dan gewoonlijk. Dat kan leiden tot irrationele bewegingen op de financiële markten.

EU

Europese Unie

EX-DIVIDEND, EX-UITKERING OF XD-DATUM

De datum waarop gedeclareerde uitkeringen officieel de eigendom worden van onderliggende beleggers. Op de XD-datum daalt de aandeelkoers gewoonlijk met het bedrag van het dividend, ter weerspiegeling van de uitbetaling.

FEEDER FUND

Een fonds dat minimaal 85% van zijn activa belegt in een masterfonds.

FLEXIBELE ISA

Beschikbaar voor Britse beleggers: een ISA (Individual Savings Account) waarmee beleggers binnen hetzelfde belastingjaar geld kunnen opnemen en opnieuw beleggen, zonder dat deze herbelegging meetelt voor hun jaarlijkse ISA-inleglimiet.

FLOATING RATE NOTES (FRN's)

Effecten waarvan de rentebetalingen (inkomsten) periodiek worden aangepast, afhankelijk van de verandering in een referentierente.

FUNDAMENTALS (BEDRIJF)

De basisprincipes, regels, wetten of dergelijke, die het fundament van een systeem vormen. De fundamentals van een bedrijf hebben specifiek betrekking op dat bedrijf, en omvatten factoren zoals zijn businessmodel, winst, balans en schulden.

FUNDAMENTALS (ECONOMISCH)

De basisprincipes, regels, wetten of dergelijke, die het fundament van een systeem vormen. Economische fundamentals zijn factoren zoals inflatie, werkgelegenheid en economische groei.

FUTURES

Een futurescontract is een contract tussen twee partijen om een bepaalde grondstof of financieel instrument te kopen of te verkopen op een van te voren afgesproken toekomstige datum. Futurescontracten zijn gestandaardiseerd en worden verhandeld op gereglementeerde beurzen.

FYSIEKE ACTIVA

Een voorwerp van waarde dat tastbaar is, zoals contant geld, apparatuur, voorraden of onroerende goederen. Fysieke activa kunnen ook verwijzen naar effecten, zoals bedrijfsaandelen of vastrentende effecten.

GELDMARKTINSTRUMENTEN

Schuld die moet worden terugbetaald binnen een jaar, in de vorm van effecten die worden gekocht en verkocht door institutionele beleggers zoals banken, pensioenfondsen, vermogensbeheerders enz. Particuliere beleggers moeten via een tussenpersoon zoals een bank of vermogensbeheerder werken om in deze instrumenten te kunnen beleggen.

GENERATIVE PRE-TRAINED TRANSFORMERS (GPT)

Dit zijn Large Language Models (LLM's) die applicaties de mogelijkheid geven om tekst en andere inhoud, zoals muziek of afbeeldingen, te creëren die sterk lijken op de inhoud die door mensen wordt gegenereerd. Ze maken gebruik van transformatorarchitectuur, wat complexe taaltaken aan kan door zich te richten op verschillende delen van de invoergegevens en complexe waarschijnlijkheidsberekeningen, om de uitvoer te genereren. Ze gebruiken patronen die ze tijdens de training hebben geleerd om reacties te genereren.

GENERAL PARTNERS (GP)

 De beheerder van een of meer fondsen op private markten wordt aangeduid als “General Partner”. De GP draagt onbeperkte aansprakelijkheid binnen het partnerschap met zijn cliënten, wat doorgaans wordt beperkt via een besloten vennootschapsstructuur. GP’s nemen de investeringsbeslissingen binnen het fonds.

GESTRUCTUREERD KREDIET (STRUCTURED CREDIT)

Een breed scala aan kredietactivatypen en -instrumenten, toegankelijk via zowel publieke als private markten. De opties omvatten asset-backed securities (ABS), collateralised loan obligations (CLO’s), evenals SRT-transacties (Significant Risk Transfer) en andere vormen van private activagedekte financiering zoals specialty finance – twee belangrijke beleggingsterreinen die zijn ontstaan na de Mondiale Financiële Crisis (GFC).

GEWIJZIGDE DURATION

Een maatstaf voor de gevoeligheid van een obligatie of een obligatiefonds voor veranderingen in de rentevoeten, uitgedrukt in jaren. Hoe langer de duration van een obligatie of obligatiefonds, hoe hoger de gevoeligheid voor veranderingen in de rentevoeten.

GILTS

Vastrentende effecten uitgegeven door de Britse overheid. Ze worden gilts (verguld) genoemd omdat ze vroeger werden uitgegeven op goudgerand papier. 

GLOBAL COMPACT VAN DE VERENIGDE NATIES

Een initiatief van de Verenigde Naties om bedrijven over de hele wereld aan te moedigen duurzame en maatschappelijk verantwoorde beleidsmaatregelen te implementeren, en verslag uit te brengen over hun implementatie.

GROEIKAPITAAL (GROWTH EQUITY)

Commercieel levensvatbare ondernemingen in de vroege (late serie B, C) en late groeifase (serie C, D), met beperkt technologisch risico en defensieve kenmerken. Groeikapitaalinvesteerders nemen doorgaans minderheidsposities in met als doel de groei te ondersteunen en uiteindelijk te exiteren tegen een hogere waardering.

HARD CAP

Alle overeenkomsten van private fondsen bevatten een juridisch bindende limiet die verdere kapitaaltoezeggingen verhindert zodra deze “hard cap” tijdens de kapitaalwerving is bereikt.

HARDE VALUTA (OBLIGATIES)

Vastrentende effecten (obligaties) die luiden in een frequent verhandelde, relatief stabiele internationale valuta, en niet in de lokale valuta van de emittent van de obligatie. Obligaties die worden uitgegeven in een relatief stabiele harde valuta, zoals de Amerikaanse dollar, kunnen aantrekkelijker zijn voor beleggers als de vrees bestaat dat de lokale valuta na verloop van tijd waarde verliest, wat de waarde van de obligaties en hun inkomsten uitholt.

HAUSSEMARKT

Een markt (ook stierenmarkt geheten) die wordt gekenmerkt door optimisme bij de beleggers en vertrouwen in aanhoudend goede rendementen, wat leidt tot stijgende effectenkoersen.

HEDGING 

Het gebruik van opties en andere compenserende posities om economische risico’s te beperken.

HEFBOOMEFFECT

In verband met een bedrijf, het niveau van de schulden van een bedrijf ten opzichte van zijn activa. Van een bedrijf met aanzienlijk meer schulden dan kapitaal wordt gezegd dat het een hoge hefboom vertoont. Kan ook verwijzen naar een fonds dat geld leent of derivaten gebruikt om een beleggingspositie te verhogen.

HISTORISCHE OPBRENGST

De historische opbrengst weerspiegelt de uitkeringen die zijn gedeclareerd tijdens de afgelopen 12 maanden, als een percentage van de aandeelkoers op de betrokken datum.

HOOFDSOM

De nominale waarde van een vastrentend effect, dus het bedrag dat door de lener moet worden terugbetaald aan de belegger na afloop van de looptijd van het effect.

HOOGRENTENDE OBLIGATIES

Leningen in de vorm van vastrentende effecten uitgegeven door bedrijven met een lage kredietrating van een erkend ratingbureau. Ze worden geacht gepaard te gaan met een hoger wanbetalingsrisico dan vastrentende effecten van betere kwaliteit, met een hogere rating, maar zij bieden ook de kans op een hogere beloning. Een wanbetaling houdt in dat een obligatie-emittent niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk geleende bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.

HURDLERENDEMENT

Ook aangeduid als “Preferred Return”. Dit is het vastgestelde minimumrendement voor beleggers dat behaald moet worden voordat GP’s aanspraak kunnen maken op carried interest. Voor private equity-fondsen bedraagt dit doorgaans 8%, hoewel dit kan variëren tussen 6% en 10%. Niet alle fondsen op private markten hanteren een hurdlerendement.

ICBE

Staat voor Instelling voor Collectieve Belegging in Effecten. Dit is het Europese regelgevingskader voor een beleggingsinstrument dat over de hele Europese Unie kan worden verkocht. Het is bedoeld voor de versterking van de eengemaakte markt in financiële activa met behoud van een hoge mate van beleggersbescherming.

ILLIQUIDITEITSPREMIE

De aanvullende vergoeding die beleggers eisen als compensatie voor het investeren in activa of effecten die illiquide zijn of niet zonder aanzienlijk prijsverlies verkocht kunnen worden.

INDEX VOLGEN

Een fondsbeheerstrategie die ernaar streeft de participaties in en het rendement van een bepaalde index te repliceren. Staat ook bekend als passieve beleggingsstrategie.  

INDEX

Een index vertegenwoordigt een bepaalde markt of deel daarvan, en dient als rendementsindicator voor die markt of dat segment.

INDEXGEKOPPELD FONDS

Een fonds dat belegt in indexgekoppelde obligaties. Dit zijn vastrentende effecten waarbij zowel de waarde van de lening als de rentebetalingen tijdens de looptijd van het effect worden aangepast aan de inflatie.

INDEXGEKOPPELDE OBLIGATIES

Vastrentende effecten waarbij zowel de waarde van de lening als de rentebetalingen tijdens de looptijd van het effect worden aangepast aan de inflatie. Ook inflatiegekoppelde obligaties geheten.

INFLATIE

De snelheid waarmee de levensduurte toeneemt. De inflatie wordt doorgaans vermeld als een jaarlijks percentage, waarbij de gemiddelde prijzen van de huidige maand worden vergeleken met die van een jaar eerder.

INFLATIEGEKOPPELDE OBLIGATIES

Vastrentende effecten waarbij zowel de waarde van de lening als de rentebetalingen tijdens de looptijd van het effect worden aangepast aan de inflatie. Ook indexgekoppelde obligaties geheten.

INFLATIERISICO

Het risico dat de inflatie het rendement van een belegging zal uithollen. (Zie ook reëel rendement)

INKOMSTEN

Geld dat voor een belegging wordt uitbetaald. Dividenden zijn inkomsten uit aandelen. Inkomsten uit obligaties worden rente of coupon genoemd.

INKOMSTENOPRENGST

Verwijst naar de inkomsten die uit een belegging voortvloeien. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.

INTERNE RENTEVOET (IRR)

Het berekende rendement voor een specifieke investering. 

INTERNET OF THINGS (IOT)

Een netwerk van "slimme" fysieke apparaten zoals tv's, wasmachines, koelkasten, enz. die gegevens kunnen verzamelen en uitwisselen met behulp van ingebouwde sensoren en software.

INTRINSIEKE WAARDE (IW)

De huidige waarde van de activa van een fonds min zijn verplichtingen. Ook nettovermogenswaarde of netto-inventariswaarde geheten.

INVESTMENT ASSOCIATION (IA)

De Britse vakorganisatie die de fondsbeheerders vertegenwoordigt. Zij werkt met beleggingsbeheerders, overlegt met de overheid over belastingen en regelgeving, en streeft er ook naar de beleggers inzicht te bieden in de sector en de beschikbare beleggingsopties.

INVESTMENT TRUST COMPANY

Een vorm van gesloten fonds dat op de publieke markten wordt verhandeld. Het aantal uitstaande aandelen is vastgelegd en de koers schommelt boven of onder de boekwaarde van de onderliggende activa.

JAARLIJKSE KOSTEN

Dit zijn de kosten, vergoedingen en uitgaven voor het beheer van elke activaklasse die een percentage van de netto intrinsieke waarde (NIW) van elke activaklasse vertegenwoordigen. Ze worden dagelijks berekend als één 365ste van het jaarlijks percentage, toegepast op de NIW van de vorige handelsdag. Aandeelhouders kunnen profiteren van potentiële kortingen als gevolg van schaalvoordelen als de activa onder beheer sterk zijn gegroeid. Uitgebreide informatie over deze mogelijke besparingen is te vinden in het prospectus van het fonds.

J-CURVE

Een term die de verschillende fasen van het rendementsprofiel van een fonds beschrijft. De dip die de letter “J” symboliseert, verwijst naar de typisch negatieve rendementen in de beginfase van de investering, gevolgd door de hogere rendementen in de latere fase.

KAPITAAL

Verwijst naar de financiële activa, of middelen, waarover een bedrijf beschikt om zijn zakelijke activiteiten te financieren.

KAPITAALRENDEMENT

De term voor de winst of het verlies uit een belegging gedurende een bepaalde periode. Kapitaalrendement omvat enkel vermogenswinst of -verlies, en is exclusief inkomsten (in de vorm van rente- of dividendbetalingen).

KAPITAALSTRUCTUUR

De samenstelling van de verplichtingen van een bedrijf. Verwijst naar de manier waarop een bedrijf zijn activa financiert via een combinatie van eigen vermogen – wat verwijst naar de inzameling van kapitaal door de verkoop van aandelen – en schulden. Bij de verwijzing naar kapitaalstructuur ligt de focus vaak op de verhouding tussen schulden en eigen vermogen van een bedrijf, die een indicator vormt voor de risicograad van het bedrijf. Hoe hoger deze verhouding, hoe meer risico het bedrijf vertoont.

KAPITALISATIE

De totale marktwaarde van alle uitstaande aandelen van een bedrijf.

KAPITALISATIEAANDELEN

Een type aandelen waarbij uitkeringen automatisch worden herbelegd en worden weerspiegeld in de waarde van de aandelen.

KAPITALISATIEDEELNEMINGSRECHTEN

Een type deelnemingsrechten waarbij uitkeringen automatisch worden herbelegd en worden weerspiegeld in de waarde van de deelnemingsrechten.

KLEINHANDELSPRIJZEN (RPI)

Een Britse inflatie-index die de mate van verandering meet van de prijzen voor een mandje van goederen en diensten in het VK, inclusief hypotheekbetalingen en gemeentebelastingen.

KOERS/WINSTVERHOUDING

De huidige aandeelkoers van een bedrijf gedeeld door zijn winst per aandeel. Biedt een leidraad voor de kijk van de markt op de vooruitzichten inzake de toekomstige winsten van het bedrijf. Hoe hoger deze verhouding, hoe sterker de winst van het bedrijf zal moeten toenemen om zijn huidige aandeelkoers te rechtvaardigen.

KORTLOPENDE BEDRIJFSOBLIGATIES

Vastrentende effecten die worden uitgegeven door bedrijven en op relatief korte termijn moeten worden terugbetaald.

KORTLOPENDE STAATSOBLIGATIES

Vastrentende effecten die worden uitgegeven door overheden en op relatief korte termijn moeten worden terugbetaald.

KREDIET

De leencapaciteit van een persoon, bedrijf of overheid. Deze term wordt door beleggers ook gebruikt als synoniem voor vastrentende effecten uitgegeven door bedrijven (bedrijfsobligaties) en voor de leningen die worden verstrekt aan een bedrijf.

KREDIETONDERZOEK

Het proces waarbij een vastrentend effect (obligatie) wordt onderzocht om het vermogen van de lener om te voldoen aan zijn schuldverplichtingen te beoordelen. Het onderzoek is bedoeld om het niveau te bepalen van het risico van wanbetaling in verband met beleggingen in de betrokken obligatie.

KREDIETRATING

Een beoordeling door een kredietratingbureau van het vermogen van een lener om zijn schulden terug te betalen. Een hoge rating geeft aan dat het kredietratingbureau meent dat de emittent een laag risico van wanbetaling vertoont. Een lage rating wijst op een hoog risico van wanbetaling. Standard & Poor’s, Fitch en Moody’s zijn de drie bekendste kredietratingbureaus.

KREDIETRATINGBUREAU

Een bedrijf dat de financiële soliditeit analyseert van emittenten van vastrentende effecten (obligaties) en hun schuld een bepaalde rating toekent. Enkele voorbeelden zijn Standard & Poor’s, Moody's en Fitch.

KREDIETRISICO

Het risico dat een financiële verplichting niet wordt betaald en dat de leningverstrekker verlies lijdt.

KREDIETSELECTIE

De beslissing om al dan niet krediet te verstrekken en hoeveel, dus de beslissing om een bepaald vastrentend effect (obligatie) al dan niet te kopen. 

KREDIETSPREAD

Het verschil tussen de opbrengst van een bedrijfsobligatie (een vastrentend effect uitgegeven door een bedrijf) en een staatsobligatie met dezelfde looptijd. Opbrengst verwijst naar de inkomsten uit een belegging en wordt uitgedrukt als een percentage van de huidige marktwaarde van de belegging.

KREDIETSYSTEEM

Het geheel van regels en instellingen dat betrokken is bij het verstrekken van leningen op commerciële basis. 

LARGE LANGUAGE MODEL (LLM)

Deep machine learning-modellen die worden getraind op grote hoeveelheden tekst zoals boeken, artikelen en webpagina's. Het LLM leert de patronen en relaties tussen woorden en zinnen in de tekst, zodat het een nieuwe tekst kan genereren die qua stijl en inhoud lijkt op de originele gegevens.

LEVERAGED BUYOUT (LBO)

De overname van gevestigde ondernemingen met stabiele omzet en kasstromen, die worden aangewend voor de schuldendienst van toekomstige leningen die zijn aangegaan voor de eigen overname

LEVERAGE (HEFBOOMWERKING) 

Vergroot investeringsvermogen van een fonds door gebruikmaking van vreemd vermogen en derivaten.

LIMITED PARTNERS (LP) 

Een Limited Partner investeert kapitaal in een fonds dat is gestructureerd als een commanditaire vennootschap. De LP heeft geen zeggenschap over het beheer en is niet aansprakelijk buiten zijn investering.  

LIMITED PARTNERSHIP OVEREENKOMST (LPA)

Een overeenkomst die de werking van een fonds regelt, doorgaans een commanditaire vennootschap. 

LIQUIDITEITSPREMIE

Een hoger beleggingsrendement dat beleggers compenseert voor het aanhouden van activa die op korte of middellange termijn niet verhandelbaar zijn.

LIQUIDE MIDDELEN

Deposito's of beleggingen die met contanten vergelijkbare kenmerken vertonen.

LIQUIDITEIT

Verwijst naar het gemak waarmee activa in contanten kunnen worden omgezet wanneer nodig. De aandelen van een bedrijf worden als sterk liquide beschouwd als ze makkelijk kunnen worden gekocht of verkocht, omdat ze frequent en in hoge aantallen worden verhandeld.

LONGPOSITIE

Belegging in een effect waarvan de waarde naar verwachting zal stijgen.

LOPENDE KOSTEN

Het cijfer van de lopende kosten vertegenwoordigt de bedrijfskosten die beleggers naar verwachting redelijkerwijs zullen moeten betalen in normale omstandigheden.

MACHINE LEARNING (ML)

Een subgroep van AI waarbij algoritmen worden getraind om voorspellingen te doen of beslissingen te nemen op basis van gegevens. Dit kan onder toezicht zijn (het algoritme wordt getraind op gelabelde gegevens, met als doel voorspellingen te doen op nieuwe, ongelabelde gegevens) of zonder toezicht (het algoritme wordt getraind op ongelabelde gegevens, met als doel patronen of structuur te vinden in de gegevens).

MACRO-ECONOMISCH

Verwijst naar de globale prestaties en het gedrag van een economie, bijvoorbeeld op regionaal of nationaal niveau. Economiebrede factoren zoals bruto binnenlands product, werkloosheid en inflatie staan bekend als macro-economische factoren die kernindicatoren voor de economische prestaties zijn. Soms afgekort tot ‘macro’.

MANAGEMENT BUY-IN

De overname van een onderneming door een extern managementteam, ondersteund door aanvullend beleggerskapitaal.

MET CONTANTEN VERGELIJKBARE MIDDELEN

Deposito's of beleggingen die met contanten vergelijkbare kenmerken vertonen.

MEZZANINEFINANCIERING 

Een financieringsvorm die zich bevindt tussen senior schuld en eigen vermogen in de kapitaalstructuur van een onderneming. Vormen van mezzanineschuld omvatten achtergestelde schuld, preferent aandelenkapitaal of hybride effecten. Het biedt beleggers/kredietverstrekkers hogere potentiële rendementen dan senior schuld, maar met een hoger risico. 

MONETAIR BELEID

De regeling van centrale banken van het geld in omloop en de rentevoeten.

MONETAIRE VERSOEPELING

Verwijst naar het beleid van centrale banken die hun rente verlagen of effecten kopen op de open markt om de hoeveelheid geld in omloop te verhogen.

MONETAIRE VERSTRAKKING

Verwijst naar het beleid van centrale banken die hun rente verhogen of effecten verkopen op de open markt om de hoeveelheid geld in omloop te verlagen.

MORNINGSTAR™

Een aanbieder van onafhankelijk beleggingsonderzoek, met inbegrip van rendementsstatistieken en onafhankelijke fondsratings.

MULTIPLE OP GEÏNVESTEERD KAPITAAL (MOIC)

Een universeel toegepaste maatstaf die de waarde of prestatie van een private equity-investering uitdrukt ten opzichte van de initiële kosten.

NATURAL LANGUAGE GENERATION (NLG)

Het vermogen van machines om mensachtige taal te genereren, vaak gebruikt in chatbots en virtuele assistenten.

NATURAL LANGUAGE PROCESSING (NLP)

Het vermogen van machines om menselijke taal te begrijpen en te interpreteren.

NEURAL NETWORKS

Een type algoritme voor machine learning dat is gebaseerd op de structuur van het menselijk brein.

NIET-GENOTEERDE AANDELEN

Aandelen in bedrijven die niet worden genoteerd aan een publieke beurs, ook bekend als private bedrijven. 

OBLIGATIE-UITGIFTE

Een serie vastrentende effecten (obligaties) die door een bedrijf of overheid voor verkoop worden aangeboden aan het publiek. Als de obligaties voor het eerst worden verkocht, heet dit een ‘nieuwe uitgifte’.

OBLIGATIE

Een lening in de vorm van een effect, meestal uitgegeven door een overheid of een bedrijf. Over de obligatie wordt doorgaans een vaste rente uitbetaald (ook coupon geheten) gedurende een bepaalde periode, waarna het aanvankelijk geleende bedrag wordt terugbetaald.

OBLIGATIES IN LOKALE VALUTA

Obligaties die luiden in de valuta van het land van de emittent, in plaats van in een veel verhandelde internationale ‘harde’ valuta, zoals de Amerikaanse dollar. De waarde van obligaties in lokale valuta zal doorgaans meer schommelen dan die van obligaties die zijn uitgegeven in een harde valuta, die meestal stabieler zal zijn.

OBLIGATIE MET WANBETALING

Wanneer een uitgever van obligaties de rentebetalingen niet nakomt of het geleende bedrag niet terugbetaalt op de vervaldag.

OBLIGATIES ONDER BELEGGINGSKWALITEIT

Schuldbewijzen uitgegeven door een bedrijf met een lage kredietrating van een erkend ratingbureau. Zij worden geacht een hoger risico op wanbetaling te hebben dan obligaties die zijn uitgegeven door bedrijven met een hogere kredietrating. Een wanbetaling houdt in dat een lener niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk belegde bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.

OBLIGATIES VAN BELEGGINGSKWALITEIT

Vastrentende effecten die zijn uitgegeven door een overheid of bedrijf met een gemiddelde of hoge kredietrating van een erkend ratingbureau. Ze worden geacht een lager risico op wanbetaling te hebben dan obligaties die zijn uitgegeven door emittenten met een lagere kredietrating. Een wanbetaling houdt in dat een lener niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk belegde bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.

ONDERHANDSE PLAATSING (PRIVATE PLACEMENT)

De verkoop van aandelen of obligaties aan vooraf geselecteerde beleggers en instellingen. Het is een alternatief voor een beursintroductie (IPO) voor een groeiende niet-beursgenoteerde onderneming die kapitaal wil aantrekken voor expansie.

ONDERLIGGENDE OPBRENGST

Verwijst naar de inkomsten die worden ontvangen door een beheerd fonds, na aftrek van alle lopende kosten, en wordt meestal jaarlijks uitgedrukt als een percentage van de huidige waarde van het fonds. 

ONDERLIGGENDE WAARDE

De fundamentele waarde van een bedrijf die zijn materiële en immateriële activa weerspiegelt, en niet zozeer zijn huidige marktwaarde of aandeelkoers.

ONDERWOGEN

Bezit van een kleinere verhouding van een aandeel dan de benchmarkindex of sector.

ONTWIKKELDE ECONOMIE/MARKT

Gevestigde economie met een hoge industrialisatiegraad, levensstandaard en veiligheid.

OPBRENGST (AANDELEN)

Verwijst naar de dividenden die een houder van bedrijfsaandelen ontvangt. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.  Dividenden vertegenwoordigen een deelname in de winst van een bedrijf. Zij worden op bepaalde momenten gedurende het jaar uitbetaald aan de aandeelhouders van het bedrijf.

OPBRENGST (INKOMSTEN)

Verwijst naar de inkomsten die uit een belegging voortvloeien. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.

OPBRENGST (OBLIGATIES)

Verwijst naar de rente die een belegger ontvangt over een vastrentend effect. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.

OPBRENGST

Dit verwijst naar ofwel de rente ontvangen over een vastrentend effect ofwel de dividenden ontvangen over een aandeel. Doorgaans uitgedrukt als een percentage op basis van de kosten van de belegging of haar huidige marktwaarde of nominale waarde. Dividenden vertegenwoordigen een deelname in de winst van een bedrijf. Zij worden op bepaalde momenten gedurende het jaar uitbetaald aan de aandeelhouders van het bedrijf.

OPEN-END BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ

Een type van beheerd fonds waarvan de waarde rechtstreeks gekoppeld is aan de waarde van de onderliggende beleggingen van het fonds. Het fonds creëert of annuleert aandelen naargelang de beleggers ze willen verzilveren of aankopen.

OPKOMENDE ECONOMIE OF MARKT

Land dat een inhaalbeweging op ontwikkelde economieën maakt, met een snelle groei en toenemende industrialisatie. Beleggingen in opkomende markten worden doorgaans als riskanter beschouwd dan beleggingen in ontwikkelde markten.

OPSCHORTING VAN DE HANDEL

Tijdelijk stilleggen van de handel in een genoteerd effect op een aandelenbeurs. Dat kan vrijwillig zijn (op aanvraag van de emittent) of opgelegd door de toezichthouder. Een opschorting van de handel vindt meestal plaats voor een belangrijke aankondiging, na een technisch probleem, of vanwege regelgevingsproblemen.

OPTIES

Financiële contracten die het recht geven, maar niet de verplichting, om een actief te kopen of te verkopen tegen een bepaalde prijs op of voor een bepaalde datum in de toekomst.

OVER-THE-COUNTER (OTC)

Wanneer financiële activa rechtstreeks tussen twee partijen worden verhandeld, in plaats van via een beurs die specifiek bedoeld is voor effectenhandel. OTC staat ook bekend als buitenbeurshandel. 

OVERHEIDSSCHULD

Staatsschuld. Ook staatsobligaties geheten.

OVERWOGEN

Als een fonds ‘overwogen’ is in een aandeel, bezit het een grotere verhouding van dat aandeel dan de benchmarkindex of sector.

PANDRECHT (EERSTE/TWEEDE RANG)

Een zekerheidsrecht op de onderliggende financiële activa van een beleggingsfonds. Beleggers kunnen bijvoorbeeld een eerste of tweede pandrecht aanhouden binnen een schuldinvestering.

PASSIEF BEHEER

Een beleggingsaanpak waarbij kapitaal wordt gespreid naargelang de aandelen- of sectorale wegingen in een index. Passief beheer wordt ook omschreven als ‘indexeren’ of ‘volgen’.

PASSIEVE BEHEERDER

Een fondsbeheerder die een passieve beleggingsmethode hanteert. Een passieve belegger streeft ernaar het rendement van de aandelenmarkt of een bepaalde index/sector te evenaren, in plaats van het te overtreffen.

PORTEFEUILLETRANSACTIEKOSTEN

Omvat verhandelingskosten zoals makelaarsvergoedingen, clearing, wisselkosten en een bied/laat spread, naast belastingen zoals zegelrechten.

PREFERENTE AANDELEN

Preferente aandelen geven de houder recht op een vast dividend, waarvan de betaling voorrang heeft op gewone aandelen. Houders van preferente aandelen hebben doorgaans geen stemrecht, in tegenstelling tot gewone aandeelhouders. 

PRIVATE CREDIT 

Ook wel “private debt” genoemd: leningen aan private ondernemingen in ruil voor rentebetalingen en uiteindelijke terugbetaling van de hoofdsom. Verstrekkers van private credit zijn geen banken, maar private kredietbeleggers. Zij onderhandelen rechtstreeks met kredietnemers die doorgaans te klein zijn voor publieke financiering. 

PRIVATE EQUITY 

Investeren in niet-beursgenoteerde ondernemingen met als doel waardetoevoeging. Het uiteindelijke doel is de investering te exiteren via een beursintroductie (IPO), fusie of verkoop.

PRIVATE PLAATSING

Een aanbod voor de verkoop van effecten aan een relatief beperkt aantal door het bedrijf geselecteerde beleggers, doorgaans investeringsbanken, beleggingsfondsen, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen.

PRIVATE PLACEMENT MEMORANDUM (PPM)

Een schriftelijke samenvatting van de belangrijkste informatie over de doelstelling en risico’s van een fondsinvestering. Dit omvat onder meer een beschrijving van de beleggingsstrategie, de fondsbeheerder, het risicobeheer en de juridische en fiscale risico’s.

PROPERTY EXPENSE RATIO

Dit zijn de exploitatiekosten die betrekking hebben op het beheer van de vastgoedactiva in de portefeuille. Concreet gaat het bijv. om verzekeringen, huurherzieningen, leaseverlengingen en onderhoudskosten en reparaties, maar geen verbeteringswerkzaamheden. Ze hangen af van de activiteitsgraad in het fonds. De Property Expense Ratio is de verhouding van de vastgoedkosten tot de intrinsieke waarde van het fonds.

PUBLIEKE MARKTEQUIVALENT (PME)

Een methode die de fondsprestaties beoordeelt ten opzichte van een publieke benchmark.

REAL ESTATE INVESTMENT TRUST (REIT)

Een beursgenoteerd bedrijf dat eigenaar, exploitant of financier is van inkomstengenererend vastgoed.

REËLE ACTIVA 

Fysieke activa zoals vastgoed, infrastructuur, transport en energieopwekking. Deze activaklasse is doorgaans sterk inkomstengenerend, heeft vaak een gereguleerde activabasis en kan dienen als inflatieafdekking, terwijl ook op lange termijn vermogensgroei mogelijk is.  

REËEL RENDEMENT

Het rendement van een belegging, gecorrigeerd voor veranderingen in de prijzen binnen een economie (inflatie).

REËLE OPBRENGST

Het rendement van een belegging, gecorrigeerd voor veranderingen in de prijzen binnen een economie (inflatie).

RELATIEF RENDEMENT

Het rendement van een actief binnen een bepaalde periode ten opzichte van dat van een bepaalde benchmark. Het wordt uitgedrukt als het verschil tussen het procentuele rendement van het actief en dat van de benchmark, en staat ook bekend als de alfa. 

RENDEMENT TOT DE VERWACHTE VERVALDAG (fonds)

Het rendement tot de verwachte vervaldag wordt berekend na aftrek van de kosten van het fonds als het gewogen gemiddelde rendement van alle deelnemingen van het fonds. Het wordt berekend in de basisvaluta van het fonds en omvat effecten van afgeleide instrumenten.

RENTERISICO

Het risico dat een vastrentende belegging aan waarde verliest als de rentevoeten stijgen.

RENTESWAP

Een overeenkomst tussen twee partijen om een vastrentende betaling te ruilen voor een variabele rentebetaling gedurende een bepaalde tijdspanne.

RESTERENDE LOOPTIJD

De tijd die overblijft tot het oorspronkelijk in een vastrentend effect belegde bedrag moet worden terugbetaald aan de houder van het effect.

RICHTLIJN BEHEERDERS VAN ALTERNATIEVE BELEGGINGSINSTELLINGEN (AIFMD)

De AIFMD is een pan-Europees regelgevingskader dat alternatieve beleggingsinstellingen en hun gerelateerde activiteiten reguleert. De richtlijn functioneert op vergelijkbare wijze als de UCITS-richtlijn voor beleggingsfondsen.

RISICO

De kans dat het rendement van een belegging zal verschillen van wat verwacht wordt. Het risico omvat de mogelijkheid dat een deel of het geheel van de oorspronkelijke belegging verloren gaat.

RISICO/RENDEMENTSVERHOUDING

Een verhouding die het verwachte rendement van een belegging vergelijkt met de mate van het genomen risico.

RISICOBEHEER

Term die wordt gebruikt voor de activiteiten die de fondsbeheerder ontplooit om het risico van verlies in een fonds te beperken.

RISICODRAGEND KAPITAAL

Het risico voor een belegger dat hij of zij het geheel of een deel van het belegde vermogen kan verliezen. 

RISICOPREMIE

De prijs of vergoeding voor het nemen van een hoger risico. Het is het verschil tussen het rendement van een risicovrij actief, zoals een staatsobligatie van hoge kwaliteit of contant geld, en het rendement van een belegging in een ander actief. Een hogere risicopremie houdt een hoger risico in.

RISICOVRIJ ACTIEF

Een actief dat in theorie geen risico draagt dat de lener in gebreke blijft, zoals contant geld of een staatsobligatie van hoge kwaliteit. 

SCHULDGRAAD

Het niveau van de schulden van een bedrijf ten opzichte van zijn kapitaal. Van een bedrijf met aanzienlijk meer schulden dan kapitaal wordt gezegd dat het een hoge schuldgraad heeft.

SCHULDINSTRUMENT

Een officieel contract dat een overheid, bedrijf of individuele persoon kan gebruiken om geld te lenen. Schuldinstrumenten bevatten de uitgebreide voorwaarden van de lening, zoals het bedrag en het tijdschema voor de betaling van de rente, de periode waarbinnen de hoofdsom wordt terugbetaald en eventuele garanties (onderpand) die de lener biedt. Elk type schuld kan een schuldinstrument zijn, van obligaties en leningen tot creditcards.

SECTOR

Een groep van fondsen met vergelijkbare beleggingsdoelstellingen en/of beleggingstypes, zoals geclassificeerd door entiteiten als de Investment Association (IA) of Morningstar™. Sectordefinities zijn meestal gebaseerd op de belangrijkste activa waarin een fonds kan beleggen, en kunnen ook een geografische focus hebben. Sectoren kunnen de basis vormen voor het vergelijken van de verschillende kenmerken van vergelijkbare fondsen, zoals hun rendement of kostenstructuur.

SENIOR/JUNIOR SCHULD

Dit zijn doorgaans leningsovereenkomsten die bij liquidatie voorrang hebben op andere crediteuren. Junior schuld is de laatste en daarmee risicovollere schuldlaag in het kapitaalspectrum, direct na aandelenkapitaal.

SHORT VERKOPEN

De praktijk waarbij marktdeelnemers activa verkopen die zij niet bezitten door ze tegen vergoeding te lenen van iemand die ze wel bezit. De shortverkoper moet de geleende activa na verloop van tijd terugbezorgen door ze te kopen op de open markt. Als de koers van de activa is gedaald, koopt de shortverkoper ze voor een lager bedrag dan wat hij of zij oorspronkelijk had betaald, wat winst oplevert. Het omgekeerde is echter net zo goed mogelijk.

SHORTPOSITIE

Een manier voor een belegger om de mening te concretiseren dat de markt in waarde zal dalen.

SICAV

Frans, staat voor société d'investissement à capital variable (beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal). Het is de West-Europese versie van een open-end beleggingsfonds. Veel gebruikt in Luxemburg, Zwitserland, Italië en Frankrijk, staat in de Europese Unie onder het toezicht van toezichthouders.

SIGNIFICANT RISK TRANSFER (SRT)

Een eerste- of tweede-verliesbescherming die een bank aankoopt op een gediversifieerde pool van kernkredietactiva, zoals leningen aan grote ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf (mkb). Hoewel de oorsprong van de SRT-markt teruggaat tot de jaren negentig, bestaat de markt in haar huidige erkende vorm pas sinds de invoering van Bazel II in 2007.

SKIN IN THE GAME (BELANGEN-AFSTEMMING)

Een financiële toezegging die beoogt de belangen van de General Partner (GP) van een privaat marktfonds af te stemmen op die van de beleggers in hetzelfde vehikel. Zo doet een GP een financiële toezegging ter hoogte van een bepaald percentage van de totale fondsgrootte bij de definitieve closing. Dit wordt ook wel aangeduid als “alignment of interest”. 

SPECIALTY FINANCE

Een op consumenten gerichte/gedekte activaklasse die potentieel hogere rendementen biedt ten opzichte van vastrentende waarden en kredietobligaties met een vergelijkbare rating, en met een kortere duration. Rendementspremies blijven beschikbaar voor het structureren en arrangeren van senior financiering, complexiteit en illiquiditeit, in combinatie met minder concurrentie voor activa.

SPECIAL PURPOSE VEHICLE (SPV) 

Een vennootschap opgericht voor één specifiek doel, zoals het verstrekken van overnamefinanciering.

SPONSOR

Een entiteit die een beleggingsvehikel of financiële transactie initieert, structureert of beheert. Op private markten is de sponsor doorgaans de General Partner.

STAATSOBLIGATIES

Door een overheid uitgegeven lening in de vorm van vastrentende effecten. Doorgaans wordt er een vaste rente over uitbetaald gedurende een bepaalde periode, waarna de aanvankelijke belegging wordt terugbetaald.

STANDAARDDEVIATIE

Een statistische maatstaf van de verstrooiing van een gegevensset rond zijn gemiddelde, wat wijst op de verspreiding van een fondsrendement gedurende een bepaalde termijn.

SWAP

Een swap is een derivatencontract waarbij twee partijen overeenkomen afzonderlijke kasstromen te ruilen. Een veel gebruikt type swap is een renteswap, waarbij de ene partij kasstromen op basis van een variabele rentevoet ruilt tegen kasstromen op basis van een vaste rentevoet, als afdekking tegen het renterisico.

SWING PRICING

Swing pricing is een methode om langetermijnaandeelhouders in een fonds te beschermen tegen de kosten van transacties die worden uitgevoerd door beleggers op korte termijn. Wanneer beleggers aandelen in een fonds kopen of verkopen, moet de fondsbeheerder onderliggende effecten kopen of verkopen om ofwel de van de beleggers ontvangen contanten te beleggen, ofwel hun aandelen te verzilveren. Swing pricing is hoofdzakelijk bedoeld om de dagprijs van de aandelen aan te passen in het licht van de kosten voor het kopen of verkopen van de onderliggende effecten in het fonds. Dat zorgt ervoor dat transactiekosten zoals makelaarsvergoedingen en administratieve kosten worden gedragen door de beleggers die aandelen in het fonds verhandelen, en niet door aandeelhouders die op lange termijn in het fonds blijven. (Zie ook Verwateringscorrectie)

SYNTHETISCHE INFLATIEGEKOPPELDE OBLIGATIES

Effecten die worden gecreëerd via een combinatie van activa, om de kenmerken van inflatiegekoppelde obligaties na te bootsen. Een dergelijke gecombineerde belegging kan worden aangemaakt door inflatiegekoppelde staatsobligaties te kopen en bescherming tegen bedrijven die hun schulden niet voldoen te verkopen door middel van credit default swaps. De resulterende synthetische belegging zal een zelfde gedrag vertonen als een fysieke inflatiegekoppelde bedrijfsobligatie, als een dergelijke obligatie zou zijn uitgegeven. Synthetische inflatiegekoppelde obligaties worden doorgaans aangemaakt wanneer een bedrijf geen inflatiegekoppelde obligaties in omloop heeft.

TERMIJNCONTRACT

Een contract tussen twee partijen om een bepaalde grondstof of financieel instrument te kopen of te verkopen op een van te voren afgesproken toekomstige datum. Termijncontracten zijn maatwerk, en zij worden niet verhandeld op publieke beurzen, maar wel rechtstreeks tussen de betrokken partijen (over-the-counter).

TOP-DOWN BELEGGEN

Een beleggingsbenadering waarbij economische factoren worden geanalyseerd, om een zicht te krijgen op het 'grote plaatje', alvorens bedrijven te selecteren om in te beleggen. Een top-down belegger onderzoekt aspecten zoals economische groei, inflatie en de bedrijfscyclus om aandelen te kiezen.

TOTAAL RENDEMENT

De winsten of verliezen van een belegging gedurende een bepaalde periode, inclusief de inkomsten en koersstijgingen tijdens die periode. Inkomsten kunnen de vorm hebben van rente voor obligaties of dividendbetalingen voor aandelen.

TRANSFORMER

Een hulpmiddel dat in staat is om een hele reeks (zoals een zin, een alinea, een hele tekst of gegevensverzameling) in één keer te verwerken, in plaats van zich te richten op afzonderlijke delen, waardoor grote taalmodellen (LLM's) in kunstmatige intelligentie veel sneller en nauwkeuriger tekst kunnen analyseren en genereren.

TRANSACTIEKOSTEN

De verhandelingskosten, zoals makelaarsvergoedingen, clearing en wisselkosten, naast belastingen zoals zegelrechten.

TYPE DEELNEMINGSRECHT/AANDEEL

Type van de deelnemingsrechten/aandelen die een belegger bezit in een beleggingsmaatschappij of fonds. De types deelnemingsrechten/aandelen verschillen volgens kenmerken zoals of de inkomsten op de betalingsdatum contant worden uitbetaald dan wel worden herbelegd.

UITKERING

Uitkeringen vertegenwoordigen een deelname in de inkomsten van het fonds. Ze worden uitbetaald aan houders van Uitkeringsaandelen, of herbelegd voor houders van Kapitalisatieaandelen, op bepaalde tijdstippen tijdens het jaar (maandelijks, driemaandelijks, halfjaarlijks of jaarlijks). Dat kan gebeuren in de vorm van rente-uitkeringen (voor obligaties) of dividenduitkeringen (voor aandelen).

UITKERINGSAANDELEN

Een type aandelen waarbij de uitkeringen (ook dividenden geheten) contant worden uitbetaald op de betalingsdatum.

UITKERINGSDEELNEMINGSRECHTEN

Een type deelnemingsrechten waarbij de uitkeringen (ook dividenden geheten) contant worden uitbetaald op de betalingsdatum.

UITKERINGSOPBRENGST

Het bedrag dat naar verwachting door het fonds zal worden uitgekeerd tijdens de komende 12 maanden, uitgedrukt als een percentage van de aandeelprijs op een bepaalde datum. Het is gebaseerd op de verwachte bruto-inkomsten min de lopende kosten, indien die worden afgetrokken van de inkomsten.

VALUTASTRATEGIE

Valuta's kunnen een aparte activaklasse zijn, net zoals bedrijfsaandelen, vastrentende effecten, onroerende goederen en liquide middelen. De valutastrategie – waarbij de fondsbeheerder tracht te profiteren van wisselkoersbewegingen – kan zo een bron van beleggingsrendement zijn.

VASTRENTEND EFFECT

Een lening in de vorm van een effect, meestal uitgegeven door een overheid of een bedrijf, waarover doorgaans een vaste rente wordt uitbetaald gedurende een bepaalde periode, waarna het aanvankelijk geleende bedrag wordt terugbetaald. Ook obligatie geheten.

VERGELIJKINGSBENCHMARK

De fondsbeheerder kiest de benchmark, die een index of een sector kan zijn, als vergelijkingsmaatstaf voor het rendement van het fonds, maar is niet verplicht de samenstelling ervan te repliceren. De benchmark wordt niet gebruikt voor andere doeleinden, zoals voor het bepalen van een eventuele prestatievergoeding.

VERMOGENSGROEI

Vindt plaats wanneer de huidige waarde van een belegging hoger ligt dan het oorspronkelijk belegde bedrag.

VERVROEGD AFLOSBARE OBLIGATIE

Een obligatie die door de emittent voor het einde van de looptijd kan worden afgelost. De prijs waartegen de emittent de obligatie terugkoopt, is normaliter hoger dan de uitgifteprijs. De emittent lost de obligatie meestal vervroegd af wanneer de rente daalt om de schuld te herfinancieren tegen de nieuwe, lagere rente.

VERWACHT DISTRIBUTIERENDEMENT

Een markt die wordt gekenmerkt door optimisme bij beleggers en vertrouwen in aanhoudend sterke rendementen, waarbij de prijzen van effecten stijgen. De algemeen aanvaarde definitie van een bullmarkt is een stijging van de effectenkoersen met 20% of meer over een bepaalde periode.

VERWATERINGSCORRECTIE

Een aanpassing in de prijs van fondsaandelen, om ervoor te zorgen dat de kosten voor het kopen en verkopen van de aandelen worden gedragen door de instappende en uitstappende beleggers, en niet door de bestaande en blijvende beleggers. De verwateringscorrectie wordt gebaseerd op de directe en indirecte transactiekosten die voortvloeien uit het creëren en annuleren van aandelen in het fonds. (Zie ook swing pricing.)

VINTAGE

Het specifieke jaar waarin een fonds zijn eerste investering doet (doorgaans in de context van private equity). Het vintagejaar wordt vaak gebruikt om de prestaties van een bepaald fonds te volgen. Er kunnen aanvullende rondes van een fondsenwerving plaatsvinden, zoals een tweede of derde vintage van een bestaand fonds.

VLUCHTHAVENACTIVA

Activa die volgens de beleggers relatief beschermd zijn tegen verlies in tijden van marktturbulentie.

VOLATIEL

Wanneer de waarde van een bepaald aandeel, een markt of een sector relatief vaak of sterk schommelt, wordt daar de term volatiel voor gebruikt.

VOLATILITEIT

De mate waarin de prijs van een bepaald effect, fonds of index verandert. De volatiliteit wordt berekend op basis van de afwijking van de norm voor dat type belegging tijdens een bepaalde periode. Hoe hoger de volatiliteit, hoe riskanter het effect meestal is.

VOORWAARDELIJK CONVERTEERBARE EFFECTEN

CoCo's (van het Engelse Contingent Convertible securities) zijn schuldbewijzen die kunnen worden ingeruild voor bedrijfsaandelen als bepaalde voorwaarden vervuld zijn. Staan ook bekend als ‘hybride effecten’. 

WAARDERING

De waarde van een actief of bedrijf, op basis van de contante waarde van de kasstroom die het genereert.

WAARDERINGSMAATSTAVEN

Maatstaven om de huidige waarde van een actief of bedrijf te bepalen.

WANBETALING

Vindt plaats wanneer een lener niet voldoet aan zijn verplichtingen inzake rentebetalingen of terugbetaling van het geleende bedrag op de vervaldata.

WANBETALINGSRISICO

Het risico dat een obligatiehouder niet de verschuldigde rente en volledige terugbetaling ontvangt op de vervaldata.

WARRANT

Een effect dat wordt uitgegeven door een bedrijf en dat de houder het recht geeft om aandelen in dat bedrijf te kopen of te verkopen tegen een bepaalde prijs en binnen een bepaalde termijn.

WATERVAL (PRIVATE EQUITY) 

Een proces voor de verdeling van winsten en opbrengsten tussen de General Partner (GP) of beheerder en de beleggers van een private equity-fonds. Dit proces bepaalt hoeveel van de fondsuitkeringen aan beleggers worden toegewezen en in welke prioriteitsvolgorde deze uitkeringen plaatsvinden. 

WINST PER AANDEEL

De nettowinst van een bedrijf gedeeld door het aantal aandelen in omloop.

WINST-EN-VERLIESREKENING

Een financieel overzicht van de inkomsten, kosten en uitgaven van een bedrijf gedurende een bepaalde periode – meestal een kwartaal of een jaar.

WINST & VERLIES (W&V)

Een financieel overzicht dat de inkomsten, kosten en uitgaven van een onderneming samenvat over een bepaalde periode, doorgaans een kwartaal of een boekjaar.

WINSTRENDEMENT

Winst per aandeel gedeeld door de koers van het aandeel, uitgedrukt als een percentage. Het is de tegenhanger van de koers/winstverhouding en wordt gebruikt om de winst van het bedrijf te vergelijken met het rendement van obligaties, die vastrentende effecten zijn.

ZONDER BEPERKINGEN

Het mandaat van een fonds waar de beheerder vrij beleggingen kan kiezen op basis van zijn of haar strategie, in plaats van het kapitaal te moeten spreiden volgens de wegingen van een index die het fonds tracht te overtreffen of te volgen.

loading